Opiniestuk door Véronique Urbaniak, Directeur Gezondheid bij Dokters van de Wereld,
Benoît De Waegeneer, Secretaris-Generaal van Humundi (voorheen SOS Faim),
Joep van Mierlo, Algemeen Directeur van Dierenartsen Zonder Grenzen België.
Hoewel de COVID-19-pandemie al ver weg lijkt, zijn zoönosen dat allerminst. Na de Hantavirus-crisis enkele weken geleden herinnert de huidige ebola-uitbraak in het oosten van de Democratische Republiek Congo ons er opnieuw op indringende wijze aan dat wij niet de enige levende wezens zijn die deze aarde bewonen.
Onze manier van leven is nauw verweven met en afhankelijk van de dieren en het milieu om ons heen. Klimaatverandering, vervuiling, ontbossing en de manier waarop we dierlijke eiwitten produceren en consumeren: ze hebben allemaal een grote impact op de menselijke gezondheid. Tussen hoe we leven en eten, en hoe we ziek worden, ligt slechts een dunne grens.
“One Health”: één gezondheid

©Thomas Cytrynowicz
Vandaag is 60% van de infectieziekten bij de mens een zoönose, dus een ziekte met een dierlijke oorsprong. Zoönosen (zoals ebola, COVID-19, mpox en hantavirus) vertegenwoordigen 75% van de opkomende infectieziekten wereldwijd. Daarnaast worden vervuiling en ecosysteemdegradatie erkend als belangrijke factoren in de toename van niet-overdraagbare ziekten, waaronder kanker.
In deze context is de “One Health”-benadering (“één gezondheid”) een van de meest doeltreffende strategieën om deze ziekten te voorkomen en te beheersen, en uiteindelijk gezond te blijven. Deze aanpak wil de schotten tussen sectoren doorbreken en een duurzame evolutie op gang brengen in de manier waarop de verschillende gezondheidssystemen – menselijk, dierlijk en ecologisch – met elkaar interageren. Gezondheidswerkers, actoren in landbouw, veeteelt en voeding, lokale gemeenschappen en beleidsmakers moeten nauw samenwerken om onze veerkracht tegen ziekten en ecologische bedreigingen te versterken.
Gebrek aan investeringen en politieke wil

©Thomas Cytrynowicz
Of het nu in Niger is, samen met nomadische veehoudende gemeenschappen, in de Democratische Republiek Congo met de gemeenschappen rond het Kahuzi-Biega Nationaal Park, of in Peru met landbouwfamilies in het hart van de Andes en de Amazone: onze organisaties werken in partnerschap met lokale actoren om de voordelen van een geïntegreerde gezondheidsbenadering aan te tonen. Maar de opschaling van deze pilootprojecten blijft een uitdaging.
De “One Health”-benadering, die sinds het begin van de jaren 2000 door de Wereldgezondheidsorganisatie wordt gepromoot en door de COVID-19-pandemie weer in de schijnwerpers is gezet, kampt nog steeds met een ernstig gebrek aan financiering. Klimaatontkennende standpunten spelen daarin een niet te onderschatten rol. Daarbovenop komt een drastische daling van de ontwikkelingshulp vanuit westerse donoren. Niet toevallig worden preventie- en surveillanceprogramma’s daarbij als eerste teruggeschroefd.
Deze kortetermijnvisie op mondiale gezondheid zal echter op lange termijn veel duurder uitvallen. Het is niet alleen een dodelijke gok, waarvan de menselijke tol nu al zichtbaar is, zoals opnieuw blijkt uit de ebola-uitbraak. Het is ook economisch onverstandig. De huidige respons op ebola vergt enorme middelen om de uitbraak in te dijken, die niet te vergelijken zijn met de kost van vroege preventie- en surveillancesystemen. Een ander sprekend voorbeeld: de Verenigde Naties schatten de jaarlijkse kost van
gezondheidszorg die verband houdt met de negatieve impact van onze voedselsystemen op 1.000 miljard dollar.
Gezondheidsrisico’s bij de bron aanpakken

©Thomas Cytrynowicz
Gemeenschapsgebaseerde gezondheidsmonitoring, die menselijke, dierlijke en milieugezondheid integreert, is een van de pijlers van de One Health-benadering. Opgeleide gemeenschappen kunnen zelf snel ongewone veranderingen in hun ecosysteem detecteren en die signaleren aan de gezondheidsautoriteiten. Wanneer een lokale dierenverzorger bijvoorbeeld onverklaarbare sterfte vaststelt bij dieren in eenzelfde kudde, wanneer waterlopen plots van kleur veranderen, of wanneer meerdere mensen in een gemeenschap plots ziek worden of vergiftigd raken, kan meteen alarm worden geslagen en kan onderzoek onmiddellijk worden opgestart.
Wat zich vandaag in de Democratische Republiek Congo afspeelt, toont hoe dringend een andere kijk op gezondheid nodig is. Zonder die omslag blijven we achter de feiten aanlopen en reageren we op crisissen in plaats van ze te voorkomen. De huidige ebolauitbraak werd immers veel te laat ontdekt, net door het gebrek aan doeltreffende surveillancemechanismen. De officiële afkondiging kwam er pas toen al meer dan 240 vermoedelijke gevallen waren geregistreerd en tientallen mensen waren overleden.
De urgentie van vandaag mag ons niet doen vergeten hoe belangrijk het is om te investeren in preventie en langetermijnverandering. Zorg dragen voor onze ecosystemen, gezondheid holistisch benaderen, nationale beleidskaders herdenken om robuuste gezondheidssystemen en duurzame landbouw- en veeteeltmethoden te bouwen, en lokale gemeenschappen betrekken bij besluitvorming: dat vraagt investeringen en geduld. Maar het gaat over niets minder dan de toekomst van onze collectieve gezondheid.

